Spreekwoorden met trefwoord ‘dak’


Hij is onder dak.

Voor hem wordt goed gezorgd.


Iemand op zijn dak krijgen.

Last krijgen van iemand.


Ze hebben een zilveren dak.

Zij hebben een zware hypotheek op hun huis.


Er is te veel dak op het huis.

Er is teveel gezelschap die dingen horen die onder ons moeten blijven.


Uit je dak gaan.

Je helemaal te buiten gaan; feestvieren.




Meer weten over adverteren?