Spreekwoorden met trefwoord ‘haak’


Uit zijn haak schieten.

Plots boos worden.


Iemand aan de haak tikken.

Iemand neerslaan.


Hij valt uit de haak.

Hij past niet binnen de groep.


Dat is niet in de haak.

Dat is niet zoals het hoort te zijn.


Iets aan de haak hangen.

Iets uitstellen Iets aan de klokkereep hangen.


Ergens zijn haak inslaan.

Zich ongevraagd mengen in een gesprek.




Meer weten over adverteren?