Dat ligt hem als een steen op de maag.
Dat is voor hem een groot probleem waarvoor hij geen oplossing weet.
Dat is voor hem een groot probleem waarvoor hij geen oplossing weet.
Iemand met iets vervelends opzadelen.
Dat grijpt hem aan.
Ik heb honger.
Ik heb erge honger.
Met een volle maag kun je minder goed denken.
Zich helemaal vol eten.
Iemand die honger heeft eet alles.