Spreekwoorden met trefwoord ‘tand’


Iemand aan de tand voelen.

Iemand ondervragen.


Zij is van de tand.

Zij is al oud.


Tegen de tand des tijds is niets bestand.

Hoe groot en stevig ook uiteindelijk vergaat alles.


Iemand een tand trekken.

Iemand oplichten.


Slak ten tand slak ter hand.

Mensen die langzaam eten werken ook langzaam.


Dat is een lekker tand.

Hij houdt van lekker eten.


Tussen hand en tand wordt een ding wel te schand.

Iets kan altijd op het laatst nog foutgaan.


Van de hand in de tand leven.

Er goed van leven zonder zich zorgen te maken om de dag van morgen.




Meer weten over adverteren?