Spreekwoorden op trefwoord graat

Hij is fijn op de graat. Hij is diepgelovig.
Hij heeft een graat in de keel. Hij praat schor.
Hij valt van de graat. Hij is heel erg mager.
Een graat in de keel krijgen. Iets niet kunnen eten.
Hij is rood op de graat. Hij is een socialist.
Er is vis nog graat aan hem. Hij kan niks.
Hij is niet zuiver op de graat. Hij is niet helemaal eerlijk.