Spreekwoorden op trefwoord tellen

Men kan zijn botten [ribben] tellen. Hij is heel erg mager.
Iemand de brokken in de mond tellen. Iemand niets gunnen.
De knopen tellen. Onzeker zijn.
Daar is een kop gort bij nodig om dat uit te tellen. Dat is moeilijk na te gaan in hoeverre dat nog familie is.
De neuzen tellen. Tellen hoeveel aanwezigen er zijn.
Zo rap als tellen. Heel erg snel.
Dat kan goed tellen. Dat loont.